Appingedam -

Den Dam, stad en gemeente aan het Damsterdiep, hoofdplaats van Fivelgo, 8600 inw.; Appingedam, Solwerd, Tjamsweer, Jukwerd, Marsum, Opwierde, Garreweer, Oling en Laskwerd. Ned. Herv. 49%, Ger. 19%, R.K. 2% en zonder gezindte 28% van de bevolking.
In de hoofdplaats winkels; Brons' Motorenfabriek; stropapierfabriek van 1909; machinefabriek, vooral van landbouwmachines, olieslagerij, vlasbewerking, carrosserieën, ijzerwerk, cement, glas, tricotages.
In de 20ste eeuw is in Appingedam deze zeer belangrijke nijverheid opgekomen. Daarnaast ontwikkelde zich de D.A.M. = de Damster Autobus Maatschappij, gesticht in 1920, tot een grootbedrijf. De eerste fabriek in Den Dam was de houtschaverij en -zagerij van C. Roggenkamp, 1869.
In 1950 werd de Pieter Bierema kazerne voor de luchtstrijdkrachten in gebruik genomen. In de omgeving veeteelt en landbouw; drie tichelwerken; scheepvaart. Onderwijsinrichtingen voor de gemeente en verder voor een wijde kring er om heen.
In 1952 is de Noordelijke Kunsthof geopend met tentoonstellingszalen in een gebouw van de Nutsspaarbank; in 1953 werd daar ook het Historisch Museum gevestigd.
Na de oorlog is men begonnen met het herstel van de Nicolaikerk; de kosten waren f 540.000, waarvan het Rijk 65%, de Provincie en de gemeente elk 10% bijdragen. Bijkomende werken worden nog op f 60.000 geraamd; het werk is nu grotendeels voltooid. De vroeger zo beroemde paardemarkten hebben niet veel betekenis meer. De stad heeft veel geleden bij de Bevrijding, doch heeft zich snel hersteld. Ook de bouw van nieuwe woningen is krachtig ter hand genomen.
De naam Appingedam zal komen van Apping, buurtschap aan de Apt; dit zou een waterloop geweest zijn uit de richting van Holwierde; misschien de Heekt. De naam komt voor het eerst voor in 1234. Er is een Latijnse buurbrief van 1327, waarin de oude stadsrechten bevestigd worden. Sedert 1317 was Appingedam geen zeehaven meer, toen werden de sluizen in Delfzijl gelegd.
In 1401 trokken de Groningers met de Schieringers uit de Ommelanden naar Appingedam. Zij verwoestten de börgen van Onno en Popke Snelgers, die tot de Onstemannen, de Vetkopers, behoorden. Zie Albrecht van Beieren. Appingedam werd in 1501 belegerd door de Groningers, doch ontzet door graaf Edzard van Oostfriesland. Zie Zwarte Hoop. Een zwaar beleg volgde in 1514, toen Georg van Saksen het stadje innam en de bevolking werd uitgemoord door de Zwarte Hoop; zie Otto van Diepholt. De burgerij had ontzettend geleden. Velen waren geweken in de Nicolai-kerk, waar ook Gert van Klooster, de drost van 't Oldambt, met zijn manschappen schuilplaats zocht. Ze zijn allen vermoord door de woeste benden van Erik van Brunswijk, 1136 knechten, burgers, vrouwen en kinderen. De val van Appingedam was de val van graaf Edzard.
In 1515 riep Groningen de hulp in van Karel van Gelre; in zijn dienst kwamen Maarten van Rossum en Berend van Hackfort en veroverden Appingedam; de Saksische aanvoerder Carlowits bedong vrije aftocht, 1517. In 1536 was Appingedam bezet door Meindert van den Ham; zie daar. Schenk van Toutenburg, stadhouder van Groningen, hongerde het stadje uit en nam het in; ontmanteling volgde.
Op 26 April 1748 kwamen de Oldambsters met de Ommelanders te zamen te Appingedam in de Nicolai-kerk, om te eisen, dat Stadhouder Willem IV met vorstelijke macht werd bekleed. Het genootschap van wapenhandel, het exercitie-genootschap van Appingedam, hield op 10 September 1787 zijn laatste zomeroefening. Daarna vierde men feest in de sociëteit, maar het volk sloeg de ruiten in en de genootschappers namen de vlucht. Op 11 september kregen ze hulp uit Middelstum, Loppersum en Onderdendam. Op 12 September vertrokken 120 man uit de Stad, leden van Voor onze duurste Panden, met 2 grote en 2 kleine kanonnen. Zij kwamen op 14 September binnen Den Dam, met muziek. Ze ontwapenden de Oranjepartij, die niet zachtzinnig behandeld werd. Ze hadden er geen weet van, dat juist op diezelfde dag te Arnhem en te Nijmegen de Pruisen binnenkwamen. Zie Voor onze duurste Panden.
't Eerste gevolg was, dat de Ommelanden weigerden met de Stad verder samen te werken; zij gaven verlof tot het dragen van oranje en ze verklaarden de Unie met de Stad voor verbroken en het Stapelrecht vervallen. Hun plakkaten werden gedrukt bij hun eigen drukker, Leonard Bolt, te Hoogkerk, die ook de Ommelander Courant zou uitgeven, tweemaal per week. Zo lang als de Stad het Stapelrecht eiste, hebben de Ommelanden zich daartegen verzet. Dit was in 't bijzonder het geval met Appingedam.
Na de Reductie ontbrandde de strijd opnieuw. In 1610 beslisten de Staten-Generaal, dat Appingedam werd gehandhaafd in zijn vrije handel van alle vette beesten en vette waren. In 1615 kwam het recht van koren en andere koopmanschappen er bij, verder van verkoop en uitvoer van bier, behalve de verkoop bij tapmaat; dan moest het Groninger bier zijn. Ook de Damster jaar- en weekmarkten bleven gehandhaafd. Zo was de uitspraak, doch de Groningers maakten toen nog herhaaldelijk moeilijkheden over het stapelrecht.
In de M.E. stond te Appingedam een Augustijner mannenklooster en een vrouwenklooster van de orde der Franciscanen. Dit was na de Hervorming het Sint-Anthonisgasthuis; in 1844 werd het een gevangenis, sedert 1884 voor vrouwen; gesloopt 1925. 't Augustijnerklooster aan de Broerstraat bouwde in 1328 een grote kerk. In zijn reventer (ontvangzaal) vergaderden ook de redgers van Fivelgo, Hunzingo en Reiderland. De kerk is gesloopt in 1705. De Nicolai-kerk is na de beide hoofdkerken in de Stad de grootste in de provincie; het is een romano-gotische kerk, die in de 16e eeuw werd verbouwd tot een drieschepige hallenkerk. De regenten van Den Dam werden aangezworen op een keisteen voor het Raadhuis. Deze is in 1832 door een heiligschennende hand verwijderd, schrijft Mr E. R. Borgesius in zijn Geschiedenis van Appingedam.
Dr Westerhoff las in een oud handschrift: "op de groote steen tusschen de stengels", dat is de toegang tot het door een muur omringd kerkhof. (Bijdragen, IV, 348.)
Het wapen van Den Dam is een pelikaan met zijn jongen, die hij voedt met zijn bloed. Maar het stadje kon niet op tegen de Groninger adelaar en de Emder grijpvogel. Daaraan herinnert het oude rijm:
  Alzoo hebbe ick mijn nest
  in 't midden gesettet
  Van twe gnaphandige gripende voegelen,
  Als tusschen die Harpie
  unde twecopten Arentsvlogelen.
Het stadhuis is in 1631 gebouwd in Renaissance-stijl. Het heeft in de gevel 3 Latijnse spreuken:
"Ubi non est pudor nec cura iuris, sanctitas, pietas, fides, instabile regnum est".
(Waar niet is zedelijkheid, noch zorg voor het recht, heiligheid, vroomheid en trouw, is de regering onstandvastig.)
"Concordia res parvae crescunt, discordia res maxima dilabuntur".
(Door eendracht groeien kleine dingen, door tweedracht worden grote dingen verstrooid.)
"Soli Deo Gloria".
(Alleen aan God de eer.)
Geschiedenis van Appingedam door H. P. Steenhuis, "schoolonderwijzer", 1833. Nu in 't Historisch Museum.
Mr. R. P. Cleveringa schreef: Ontwikkelingslijnen van het rechtsbestel der stad Appingedam, 1927.S. Koldijk, Kerk en Raadhuis, 1912, Persleiding naar zee, 1954.

Thema
uw keuze
meer over uw keuze
Soort
plaats
meer over plaats
Niet van toepassing
meer uit Niet van toepassing