Achttien vijfenveertig (1845) -

jaar van grote armoede. De herfst was regenachtig geweest; de winter viel vroeg in en was buitengwoon streng. Reeds in Maart schreef de Gouverneur aan de Koning over de "stilstand van schier alle bedrijven en het volslagen gebrek aan arbeid". Een "groote massa" aardappels was bevroren geraakt. En daar kwam in het nieuwe jaar de aardappelziekte bij. "De oogst van aardappelen is als geheel mislukt te beschouwen", schreef op 1 Sept. 1845 de Commissie van Landbouw aan de Gouverneur. In die brief leest men verder, dat "de geringe klasse grootendeels van aardappelen leeft". Zie aardappelziekte. Nog 50 jaar later spraken oude mensen over de ellende in dat hongerjaar. Men trachtte de nood te lenigen door uitdeling van brood en in de Stad van warm eten; de boeren werkten mee met werkverschaffing. Het trof gelukkig, dat de winter van 1845-'46 zeer zacht was en het landwerk kon doorgaan. In zijn verslag aan de Koning merkte de Gouverneur dit aan "als eene weldadige beschikking van de Goddelijke Voorzienigheid" (31 Maart 1846). Met diefstal en inbraak ging het nog al, behalve in Nw. Schans, Beerta en Bellingwolde, waar men overlast had van landlopers en vagebonden uit Oost-Friesland.
De Gouverneur verheugt zich over de ruime oogst van paardenbonen dat jaar, het meest geschikte product om de aardappels te vervangen. En hij meldt dat het jaar 1845 voor de boeren door de hoge korenprijzen "buitengewoon voordeelig" is geweest.
Hij geeft de zeer hoge prijzen op voor de levensmiddelen (per pond):
roggebrood f 0,11-5
tarwebrood f 0,80
rundvlees f 0,40-5
schaapvlees f 0,22
spek f 0,42
boter f 0,72-5
rijst f 0,40
gort f 0,16
boekweitenmeel f 0,24
Een pond brood 11½ cent; dus een gewoon roggenbrood 94 cent; het was verschrikkelijk.          

Thema
uw keuze
meer over uw keuze
Soort
uw keuze
meer over uw keuze
Niet van toepassing
meer uit Niet van toepassing