Academie -

gesticht 1614; nieuw gebouwd in 1850; verbrand in 1906, weer opgebouwd 1909.
De Academie begon in 1614 met zes hoogleraren; de voornaamste was Ubbo Emmius. In 1618 verklaarde Hunzingo, dat de Academie wel had mogen achterwege blijven van wege de grote kosten voor de provincie; Fivelgo en 't Westerkwartier stemden met de Stad voor het behoud.
De vijf andere hoogleraren waren Mulerius, Ravensberger, Huninga, Pijnacker en William MacDowell. Het onderwijs werd gegeven in de faculteiten der godgeleerdheid, rechtsgeleerdheid, geneeskunde, wijsbegeerte en letteren. 't Begon met 83 studenten, waarvan 27 uit Stad en gewest. Er was een bibliotheek en een theatrum anatomicum (een ontleedkundig kabinet) van 't begin af aan de school verbonden. 't Was een provinciale school; de Stad en de Ommelanden wezen ieder drie curatoren aan. In 1615 was Hugo van Nijeveen de eerste die gepromoveerd werd.
De gebouwen van het Menolda- en Vrouw-Sywenconvent werden voor de hogeschool ingericht; het Franciscanerklooster werd de ontleedplaats.
In 1615 werd een burse ingericht voor de maaltijden van 40 studenten. Deze heeft bestaan tot 1813.
Bij de inwijding hield Ds Arnoldus Martini een leerrede in de Martinikerk; vervolgens sprak de stads-syndicus Pancratius Castrocomius in de gehoorzaal. Na hem trad de hoogleraar Ravensberger op. De volgende dag dankte prof. Huninga. Nog een dag later hield prof. Macdowell een rede over de voortreffelijkheid der wijsbegeerte.
In 1622 ging de boekerij van de Martinikerk, die aangelegd was door Willem Frederiksz., aan de Academie over. Petrus Mulier werd in 1628 hoogleraar in de kruidkunde; hij legde op eigen kosten een hortus aan.
Zeer groot was tijdens de Republiek het aantal vreemdelingen onder de studenten: Duitsers vooral, doch ook Hongaren, Zwitsers, Denen, Zweden en Polen. In de regel was men ook in de dagen van de Republiek zeer ingenomen met de Hogeschool die ook een goede naam had naar buiten. Toch kwamen er ook tijden van diepe inzinking. In 1712 was de hele theologische faculteit uitgestorven. Er waren in 1710 in het geheel maar 7 professoren en 150 studenten; ook werd het 100-jarig bestaan niet gevierd; dit tengevolge van de twist tussen Stad en Ommelanden. Eerst in 1717 voorzag men weer in de vacatures. Men hoort in de Groninger Rarekiek van 1773, dat de doctorstitel voor geld werd verleend:
  Die maar een half jaar
  heeft gestudeert,
  Mits hij maar geeft splint,
  wordt de Bul vereerdt.
  Wat groeit hier ter stee
  de goede negotie,
  Men koopt hier Latijn,
  men handelt promotie.
In 1777 kon men in een schotschrift lezen, dat de drie professoren van de juridische faculteit, Schroeder, Cannegieter en Arentzenius, een geheim hadden uitgevonden. Zij konden ieder - mits ordentelijk vermogend - in 3 à 4 dagen of in cas van ongehoorde stupiditeit binnen 14 dagen, aan het Meesterschap in de beide Regten helpen, en sulks voor een zeer civiele prijs. "Segget voort." (Gedenkboek, 1914, 377.)
In 1811 hief Napoleon de hogescholen van Franeker en Harderwijk op; Utrecht, groningen, Amsterdam en Deventer werden Scholen van de tweede rang (ecoles secundaires); alleen leiden werd "keizerlijke universiteit".
Bij Koninklijk Besluit van 1815 werd de academie een Rijkshogeschool. Er waren toen 18 hoogleraren, de faculteit der wis- en natuurkunde werd aan de 4 oude faculteiten toegevoegd. In 1842 deed de wethouder H. de Ranitz het voorstel om een nieuw gebouw te stichten; dit werd in 1846 door de Regering goedgekeurd.
Ter gelegenheid van de inwijding in 1850 verscheen een bundel Feestzangen, gedrukt en uitgestrooid bij de optocht door de boekverkopers. De kosten van 't nieuwe gebouw ten bedrage van ¼ mill. gulden, werden door de Stad en de Provincie gedragen; 1848. Nauwelijks was dit grote gebouw gereed of er dreigde gevaar, dat de Hogeschool wegens bezuiniging werd opgeheven. Mr. H. O. Feith kwam daartegen op in zijn uitvoerig betoog: De academie van Groningen, hare grondslagen en regten, uitgegeven na zijn dood, 1849. Ook Prof. Hofstede de Groot schreef er tegen:
Is bezuiniging op het onderwijs aan te raden?
1849.
Bij de voorbereiding van de Wet op het Hoger Onderwijs dreigde er weer, en nu veel ernstiger gevaar. De hoogleraar Tellegen richtte in 1870 een comite tot behoud der Academie op; Mr. Jacques Oppenheim trad op als secretaris. Uden Masman plaatste een gedicht in de Prov. Gron. Ct.:
Bij den beraamden ondergang der Hoogeschool
:
  Men laat ons 't harnas
  onzer wallen,
  Maar wat ons 't liefst is
  dat zou vallen,
  Zoo klonk 't in 's Lands
  vergaderzaal...
  Rijst overeind, gij Ommelanden!
  Brandt op uw wierden
  sein en licht!
Hoop op behoud rees bij het optreden van Mr. J. H. Geertsema als minister van Binnenlandse Zaken in 1872. Deze namelijk was van 1845-'64 secretaris geweest van de Groninger Curatoren. Doch reeds in 1874 moest hij weer aftreden; Mr. J. Heemskerk Azn. volgde hem op. De nieuwe minister stelde het behoud van de Groninger school voor; B. en W. van de Stad zonden ter ondersteuning een doorwrocht betoog, opgesteld door de secretaris Mr. Oppenheim, aan de Kamers. In de Harmonie werd een grote betoging gehouden; 1875. In de Kamer zelf ijverde Van Houten voor de goede zaak. Op 17 Maart 1876 werd het gehele geval ten gunste van Groningen zonder stemming beslist. De Landshogeschool werd Rijksuniversiteit.
Het tweede eeuwfeest was in 1814 met grote luister gevierd in 't bijzijn van de Souvereine Vorst. Prof. E. Tinga preekte in de Grote Kerk; prof. Johan Ruardi hield een toespraak in de Nieuwe Kerk. J. C. Driessen werd tot doctor in de wijsbegeerte bevorderd, waarbij prof. J. Baart de la Faille een Latijnse rede hield. Ds. J. A. Uilens te Eenrum sprak een redevoering uit in de Nieuwe Kerk over het nut der natuurkunde en 4 landbouwers kregen daarbij een eerbewijs: Geert Reinders, Jacobus Heeres, D. M. Teenstra en M. Martens. Er was vuurwerk en maskerade en een luisterrijke harddraverij. Ten slotte werden 3440 kinderen met oranje versierd en van wege 't Nut onthaald, waarbij prof. v. Swinderen een treffende redevoering hield. In 1850 was het weer feest bij de inwijding van het nieuwe gebouw en in 1851 volgde een reünie. In druk verschenen: Het voormalige en tegenwoordige akademiegebouw te Groningen en derzelve plegtige inwijding, 1850; Gedenkschrift der inwijding van het nieuwe academiegebouw, 1851; Reunie en academiefeest, 1851; N. v. Hasselt, Feestdronk in plat Groninger tongval, 1850; Feestzangen bij den gecostummeerden optogt van boekverkopers, boekdrukkers en boekbinders te Groningen, 1850; Geschiedk. aanteek. omtrent het beleg van Groningen m. programma v.d. gecostum. optocht, 1850;
Het gedenkschrift bevatte: Herinneringen uit de geschiedenis van Diest Lorgion; de Academiepreek van Muurling; de aanspraak van burgemeester Van Imhoff; 't antwoord van de curator B. Wichers; de rede van de rector magnificus Mr. J. H. Philipse in de Martinikerk; Dichtregelen van Spandaw; een Latijnse rede van Hofstede de Groot; de toespraak van de hoogleraar Claas Mulder met het antwoord van Van Imhoff als curator; de Academiepreek van Hofstede de Groot en nog een lijst van deelnemende oud-studenten. In 1851 verscheen de 2e druk. Bovendien was in 1850 nog een album uitgegeven met de handtekeningen van al de deelnmers.
Ter gelegenheid van het 250 jarig bestaan der Academie verscheen in 1864 een groot Gedenkboek, bewerkt door Jonckbloet, vermeerderd met de levensberichten der professoren door Mr. W. B. S. Boeles. Het bevat: I. Geschiedenis der Hogeschool; II. Bestuur; III. Onderwijs; IV. Studenten; V. Akademische Inrichtingen. Ook zijn de handtekeningen van alle Groninger hoogleraren afgedrukt.
Opnieuw kwam in 1914 een prachtig uitgevoerd Gedenkboek in het licht. Vooraf gaat het portret van Ubbo Emmius; het boek bevat een geschiedkundig overzicht (van Dr. J. Huizinga), dat vooral de 19e eeuw behandelt, en een beschrijving van de tegenwoordige staat. Verder beschreef Dr. H. Brugman de stichting der Academie, Dr. G. C. Nijhoff behandelde de hoogleraren in de geneeskunde; Dr. Is. van Dijk stelde de betekenis van Gomarus in het licht; Mr. J. Simon van der Aa werkte een bijdrage uit over de opleiding der juristen in vroeger tijd; Dr. J. W. Moll leverde een artikel over het Groninger landbouwonderwijs, en ten slotte schreef Dr. B. Sijmons een overzicht over het onderwijs in de moderne talen.
Het plan voor 't nieuwe Universiteitsgebouw is van de Rijksbouwmeester Vrijman. Het gebouw werd in 1909 ingewijd in tegenwoordigheid van koningin Emma en prins Hendrik. Behalve dit hoofdgebouw bezit de Universiteit een groot aantal andere inrichtingen. Daaronder: 't Physiologisch, het Schekundig, het Physisch, 't Anatomisch, het Ntuurkundig, het Botanisch, het Hygiënisch, het Pathologisch-Archaeologisch Instituut. Zie ook Ziekenhuis en Universiteitsbibliotheek.
Aan de Rijksuniversiteit te Groningen waren in Sept. 1952 ingeschreven 2179 studenten, onder wie 423 dames. De inschrijvingen zijn over de verschillende faculteiten als volgt verdeeld: Godgeleerdheid 94 (3 vr.), Rechtsgeleerdheid 215 (61 vr.), Geneeskunde 960 (175 vr.), Tandheelkunde 180 (19 vr.), Wis- en Natuurkunde 402 (67 vr.), Letteren en Wijsbegeerte 195 (101 vr.), Economie 154 (4 vr.), Verenigde faculteit (Wis- en natuurkunde en Letteren en Wijsbegeerte) 71 (32 vr.). De Rijksuniversiteit heeft sedert 1945 belangrijke uitbreidingen ondergaan. aan het oude vijftal Faculteiten is een zesde, voor Economische Wetenschappen, toegevoegd; de studie der Sociologie en der Sociale Aardrijkskunde is georganiseerd; aan de Medische Faculteit is een sectie voor Tandheelkunde verbonden.
C. H. Fennema gaf in 1909 uit: Het Academiegebouw 1614-1909.

Thema
uw keuze
meer over uw keuze
Soort
onderwijs
meer over onderwijs
Niet van toepassing
meer uit Niet van toepassing