Armenordening -

opgesteld door Ds. Acronius, goedgekeurd door de kerkeraad in de Stad, uitgevaardigd door Burgemeesteren en Raad, 1610. Regelde de armenzorg, die uitgeoefend werd door de diakonie. Vreemde landstrijkers, sterke bedelaars, onnutte lediggangers en heidens mochten niet in de Stad komen. Verminkte soldaten en de weduwen en wezen van soldaten, die niet tot het provinciale leger behoorden, kregen een teerpenning mee.
Arme ingezetenen hadden recht op onderstand; tweemaal in het jaar had een monstering der armen plaats, d.w.z. de lijst der bedeelden werd nagekeken. 's Maandagsmorgens in de Martinikerk hield de diakonie uitdeling van boter en brood aan de armen, maar ze moesten bewijzen dat ze de preek hadden bijgewoond. Zie Boterhuisje. Het bedelen was streng verboden. Wie het toch deed, werd uit de Stad gezet, en wie het weer deed, kwam in het tuchthuis. De hoornwachters (een soort agenten) kregen voor elke ingerekende bedelaar een schelling. Stadsarmen mochten ook niet elders bedelen.
In 1641 lieten de diakenen een eigen oven bouwen en stelden zij een eigen bakker aan.

Thema
diversen
meer over diversen
Soort
onderwerp
meer over onderwerp
Niet van toepassing
meer uit Niet van toepassing