Alting, Bernard -

1600-1655, uit de Stad, werd 1631 syndicus van Groningen (pensionaris); in 1643 niet-eervol ontslagen wegens wangedrag, doch ook omdat hij te gematigd was tegen de Ommelanden. In 1650 hield hij alweer een Lofrede ter eere van Groningen. Nog meer tot lof van de Stad strekte zijn geschiedkundig werk Pilaren ende Peerlen van Groningen, 1648. Dit waren de landstreken, onderworpen aan de Stad: 't Gorecht, 't Oldambt en Westerwolde (de peerlen); daartoe behoorde ook nog het voorzitterschap in de Statenvergaderingen.
Dan de pilaren. De Unie met de Ommelanden, de "algemeene pilaar". Verder: 1e. dat de Landdagen in de Stad worden gehouden; 2e. de Hoge Justitiekamer of Hoofdmannenkamer; 3e. 't stapelrecht; 4e. de brouwerij. Hij prijst de Stad gelukkig,
  Dat binnen haer begryp
  de Staten sigh vergaren,
  Dat zij den Stapel kreeg
  van Ommelanden waren
  En 't recht van Brouwerij
  over het platte landt
  En in 's Lands hoge richt
  des Kamers d'overhandt.
Maar hij ziet ook, dat Groningen toch niet meer is, wat het geweest is. Dit komt uit in een ander werk van 1648: Oud en Nieu Groningen, "in twintich discoursen", niet uitgegeven, doch in handschrift in 't Rijksarchief:
  Helaes, wij hebben niet
  U winst konnen bewaren,
  Wij gaan der crabben gangh,
  meer, meer, van jaer te jaren!
  helaas, mijn lieve Grins,
  mijn vaderlijcke stee!
  Wij deynzen ruggelings,
  van tree, te tree, te tree!
Hij is tegen de meer  en meer aristocratische Stadsregering.
Achter De Pilaren ende Peerlen was in de meeste uitgaven een ander boekje gebonden: De Politycke Kuyper. Dit werd ook gehouden voor een werk van Alting, maar het is misschien van Claude Fontaine uit Parijs, die uitgever werd te Leeuwarden, overl. 1654. Brugmans schrijft evenwel het stuk toe aan Alting (Biografisch Woordenboek, deel I.)
Het is een geschrift tegen de regeringspraktijken, in 1647 te Leeuwarden naamloos verschenen. Daar legt een vader aan zijn zoon uit, hoe een kuiper moet zijn: huichelachtig, onderdanig, nederig. Vriendelijk is ook niet zijn Dissertatie of men moge schrijven van Republycquen, 1648.
In 1645 verscheen zijn geschrift Syndicus ofte Tractaetken over 't ambt van de syndicquen ende pensionnarissen.
Alting was aan de drank; als hij met de Groninger afgevaardigden in Den Haag was, was hij herhaaldelijk beschonken, en onder weg heen en terug ook al. In 1650 was hij hersteld "in de borgerschap" onder belofte van beterschap; hij was "getroubleert" geweest. Hij trad steeds voor de Stad op. Zo schreef hij in 1642 Der Oldampten Dependentie der stad Groningen. En nu in de Lofrede is alles weer koek en ei:
  Groningen is een soete dal
  De daer comen blijven daer al.
In 1653 koos de Gesworen Meente hem als raadslid, en op verzoek van de Raad schreef hij nu: Beschrivinge van Westerwolde, Bellingwolde, Blijham. Maar ook dit werk is nooit uitgegeven.
In 1655 werd Alting lid der Admiraliteit van Harlingen.
De Pilaren ende Peerlen
werden opgedragen aan Prins Willem II, de Stadhouder.

Thema
uw keuze
meer over uw keuze
Soort
persoon
meer over persoon
Niet van toepassing
meer uit Niet van toepassing