Adel -

in de Stad in de Middeleeuwen, leenadel van wege de bisschop van Utrecht als landsheer. Zo betoogt Acker Stratingh in Bijdragen VII, 13. Hij noemt o.a. de geslachten Polman (van het huis De Pol bij Ruinen), Gelkinge, Kater, Ter Brugge, Sickinge, Lewe, Rengers, Wichering, Clant, Jarges, en in 't Gorecht Coenders van Helpen en Ulger van Noorddijk.
In de Ommelanden was het Leenstelsel onbekend en er was geen landsheer, dus was er ook geen adel. De jonkers of hovelingen zijn rijk en machtig geworden boeren, die zich tot heer van 't dorp wisten op te werken.
Over de adel handelt Van Halsema, Staat en Regeringsvorm, 1788. Verder Mr. Wichers, Tractaat van Reductie, 1794, en De Sitter in Tegenwoordige Staat, 1792.

Thema
uw keuze
meer over uw keuze
Soort
onderwerp
meer over onderwerp
Niet van toepassing
meer uit Niet van toepassing