Kornelis ter Laan (Slochteren, 8 juli 1871-Utrecht, 6 maart 1963)

door Stip ter Laan

Kornelis ter Laan was onderwijzer (1890-1901), Tweede Kamerlid voor de S.D.A.P. voor het district Hoogezand (1901-1909), voor het disctrict Den Haag I (1909-1937), het eerste sociaal-democratisch gemeenteraadslid in Den Haag (1905-1914), de eerste sociaal-democratische burgemeester van Nederland te Zaandam (1914-1937), publicist en samensteller van een groot aantal naslagwerken. Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw (1937), Zilveren Anjer (1951), ereburger van Slochteren (1951).

Kornelis ter Laan werd op 8 juli 1871 geboren als de oudste zoon van Remko ter Laan en Metje Buurman, kleine landbouwers te Slochteren. Hoewel alle zeven kinderen Nederlands-Hervormd werden opgevoed, zou geen van hen in de kerk blijven.
Vanaf zijn 5e jaar - er was nog geen leerplichtwet - ging de jonge Kornelis naar de dorpsschool in Slochteren. Omdat hij goed kon leren, mocht hij vervolgens naar de Fransche School te Hoogezand en daarna naar de Rijks-H.B.S. te Sappemeer, hoewel zijn ouders ternauwernood het schoolgeld konden opbrengen. Het waren jaren van bittere armoede, veroorzaakt door de landbouwcrisis die rond 1880 was uitgebroken en geld om ook de andere kinderen door te laten leren was er al helemaal niet.
Na de Rijks HBS volgde Ter Laan te Sappemeer de Rijks-Normaallessen. Zeven jaar lang liep hij elke dag samen met de fabrieksarbeiders, die in de strokarton- en aardappelmeelfabrieken werkten, naar Hoogezand en Sappemeer (een reis van 2 uur gaans). Zij klaagden over de ellendige werkomstandigheden. over de lage lonen en de honger: er bestond nog geen oudedagvoorziening, geen ziektewet, geen ongevallenwet. Er was nog geen algemeen kiesrecht. Hoewel kinderarbeid in fabrieken onder 14 jaar officieel in 1874 verboden was, waren er nog steeds kinderen aan het werk. Verloor men als gevolg van een bedrijfsongeval een arm, dan ‘mocht’ men voor half geld doorwerken.
Ook als Kornelis met zijn vader - die diaken was - de armen bezocht, zag hij grote ellende. Dit alles zorgde voor een diep gevoelde sociale betrokkenheid, nèt rond de tijd dat het socialisme in de provincie Groningen begon door te dringen. In 1882 was in Groningen de Sociaal Democratische Bond van Domela Nieuwenhuis opgericht. In 1887, toen Ter Laan op de HBS zat, kroop hij met zijn klasgenoten ‘tussen de benen der volwassenen door’ om een propaganda-rede van Domela Nieuwenhuis - een week voor deze de gevangenis in moest - bij te wonen. Vijftien jaar oud wilde hij zich opgeven als lid van de S.D.-Bond, waarop Domela Nieuwenhuis zei ‘dat hij zijn moed bewonderde, maar zulk een ernstige zaak niet wilde winnen met kinderen.’

Na ‘met lof’ te zijn geslaagd voor de Normaalschool, werd Ter Laan kwekeling op zijn oude school te Slochteren. Na een tijdelijke aanstelling te Noordbroek, moest hij solliciteren en dat betekende lopen, lopen en nog eens lopen - van dorp naar dorp door de hele provincie, van de ene wethouder naar de andere. In 1890 kreeg hij een aanstelling te Sappemeer, maar een jaar later moest hij in dienst. In de kazerne in Groningen leerde hij soldaten lezen en schrijven, velen waren immers nog analfabeet. Toen hij in 1892 een aanstelling kreeg aan de Fransche school te Appingedam, werd hij tijdelijke vrijgesteld van de dienstplicht; dit werd bij zijn huwelijk in 1895 omgezet in een algehele vrijstelling. In Appingedam sloot hij zich in aan bij de Sociaal Democratische Bond en hield hij in Loppersum zijn eerste socialistische rede voor een onderwijzerscorps: ‘De onderwijzer moet socialist worden, want hij ziet alle ellende.’ In dat jaar zette hij tevens met een aantal geestverwanten de vooruitstrevende Nieuwe Damster Courant op, werd hij lid van de sociaal-democratische onderwijzersvereniging (S.D.O.V.) en van de vrijdenkersvereniging De Dageraad. Hij las Multatuli en ontdekte het werk ‘Freiland, ein Zukunfstbild’ van Theodor Hertzka, de initiatiefnemer van de Vrijlandbeweging. Dit was een internationale utopistische beweging met zeer concreet uitgewerkte plannen om in Kenia een ideale staat te vestigen, naar socialistisch beeld, zonder privaat grondbezit. Met zijn vriend Harmannus Groustra, hoofdonderwijzer te Schildwolde, richtte Ter Laan vervolgens de Nederlandse afdeling van de Vrijlandbeweging op en vanaf 1894 gaven zij het blad ‘Vrijland’ uit.
Al spoedig werd Ter Laan de belangrijkste kracht: hij vertaalde elke avond 7 bladzijden van Hertzka’s werk, dat als ‘Vrijland, een utopie nader bekeken’ in 1897 verscheen en hij probeerde, ook nadat twee expedites mislukt waren, de Vrijlandbeweging nog enige tijd gaande te houden.
Intussen was hij korte tijd werkzaam als secondant aan instituut Borchart te Dordrecht (1893) en aan een openbare lagere school in Arnhem (1894). In Arnhem trok Ter Laan’s jongere broer Jan, dagloner te Harkstede, bij hem in. In de avonduren kreeg Jan les van zijn broer, opdat ook hij zich kon ontwikkelen. Voor Ter Laan woog het ‘voorrecht’ dat hij alleen had mogen doorleren zwaar.
In het voorjaar van 1895 trouwde hij met zijn jeugdvriendin Ida Groen. Hij had intussen de hoofdakte behaald en kreeg een aanstelling als hoofd van een openbare lagere school te Sluis. Het jonge paar betrok de woning, waarin ook J. van Dale - samensteller van het Woordenboek der Nederlandse taal - als eerder hoofd van dezelfde school had gewoond. Broer Jan verhuisde mee, even later gevolgd door twee zusters en Ida’s broer Pieter Groen (die later het Grunneger Zangboek zou samenstellen). Jan slaagde in 1896 voor commies der Rijksbelastingen, Pieter Groen werd onderwijzer te Sluis.
Het verblijf in Sluis was van korte duur. Ter Laan voelde er zich onder het àl te toeziend oog van de burgemeester niet vrij en eind 1897 verhuisde het gezin - met twee in 1896 en ’97 geboren zoontjes en twee van Ter Laan’s zusters - naar Delft, waar Ter Laan per 1 januari 1898 een aanstelling kreeg als hoofd van een openbare lagere school.
Intussen was hij lid van de Socialistenbond. De S.D.-Bond, die in 1894 een anti-parlementaire richting had gekozen, werd in datzelfde jaar verboden wegens opruiende activiteiten en omgedoopt tot Socialistenbond. Ter Laan was in politiek opzicht - al hield hij nauw contact met andere socialisten - in die jaren niet actief. Het was in die dagen gevaarlijk om socialist te zijn: het kon je je baan kosten en Ter Laan’s eerste plicht was het welzijn van zijn familie. Zijn ouders in Slochteren kwamen ook geregeld geld tekort. Werk, gezin en de opleiding van zijn broer en zusters (later nog een andere broer) vergden al zijn aandacht en bovendien vroeg de gemeente Delft hem eind 1897 een gemeentelijke handelscursus op te zetten.
Toen hij in 1898, tijdens de kroningsfeesten van Koningin Wilhelmina, niet wilde vlaggen, moest hij het bezuren. Ter Laan’s huis werd onder het ‘wakend oog’ van de politie door twee dokterszoontjes met oranje verf beklad. De agressie van de Oranjeklanten liep zo hoog op dat het gezin Ter Laan - en zij waren niet de enigen - hun woning moest ontvluchten.
In april 1900 ging de Socialistenbond, waar na het vertrek van Domela Nieuwenhuis niet veel van over was, op in de S.D.A.P. Ook Ter Laan werd rond die datum lid van deze nog jonge partij.

In het voorjaar van 1901 werd Ter Laan door zijn Groninger vrienden benaderd met de vraag of hij zich verkiesbaar wilde stellen voor de het district Hoogezand voor de S.D.A.P. in de Tweede Kamer. De kandidaat Jan van Zutphen was namelijk ziek. Dat het district op dat moment slechts één S.D.A.P.-lid telde en hij de vereiste leeftijd nog niet had bereikt, was voor Ter Laan geen bezwaar.
Het hoofdbestuur van de S.D.A.P. voelde echter, ondanks de aanbevelingen uit het noorden, weinig voor zijn kandidatuur: men kende Ter Laan slechts van de Dageraad en de Vrijlandbeweging.
Desalniettemin won hij het district dat hij ‘als zijn broekzak kende’ en betrad hij op 17 september 1901, inmiddels 30 jaar oud, de Tweede Kamer. Hij werd fractiesecretaris tot januari 1914. Toen hij zich verkiesbaar stelde, was hij er vanuit gegaan dat hij tevens hoofd van de school in Delft zou kunnen blijven, maar - ondanks handtekeningenacties van collega’s en ouders van zijn leerlingen - moest hij, tot zijn grote teleurstelling, in 1902 afscheid nemen van ‘zijn kinderen’.
Het gezin verhuisde opnieuw, nu naar Den Haag, waar Ter Laan zich al spoedig bewees als een hardwerkend Kamerlid. ‘In K. ter Laan’, schreef Troelstra, ‘had onze fraktie een belangrijke aanwinst te boeken. Geen werk was hem te zwaar en al spoedig vond hij op het gebied van het onderwijs en het militarisme een eigen arbeidsveld.’ In 1905 werd Ter Laan gekozen als het eerste ‘rode’ gemeenteraadslid. Hoewel hij in 1909 het district Hoogezand weer verloor, kon hij toch in de Tweede Kamer blijven, want in datzelfde jaar werd hij gekozen voor het district Den Haag I. Hij bleef in de Kamer tot 8 juni 1937 en voerde met zijn fractie bijna 36 jaar oppositie in 11 kabinetten.
Vanaf 1901 zette hij zich in voor de belangen van onderwijzers en (hoewel het sociaal-democratisch principe anti-militaristisch was) dienstplichtigen en het lagere defensiepersoneel als woordvoerder van militaire aangelegenheden, pensioenen en onderwijs. Hij streed voor betere omstandigheden voor de soldaten en verkorting van de diensttijd en al spoedig had hij de bijnaam ‘vader der soldaten’. Tot 1914 combineerde Ter Laan zijn fractievoorzitterschap in de Haagse gemeenteraad met het Kamerlidmaatschap. Elke morgen hield hij thuis spreekuur en vanaf 7 uur zat zijn trap - hij woonde toen op een bovenhuis - vol mensen. (Mijn vader kon er, als hij naar school moest, amper door). In de Haagse raad hield Ter Laan zich onder meer bezig met woningbouw, onderwijs en pensioenen. Toen Willem Drees - die aanvankelijk stenograaf was in de Haagse raad en bevriend was met Ter Laan’s jongere broer Douwe, die daar schrijver was - in 1913 zijn intrede deed in de raad, leerde Ter Laan hem de kneepjes van het vak.
In 1913 schoof tot Ter Laan’s grote voldoening zijn broer Jan naast hem in de groene bankjes. Jan ter Laan was gekozen als lid van de Tweede Kamer voor de S.D.A.P. voor het district Rotterdam V. De broers Ter Laan (Den Haag) en Ter Laan (Rotterdam) stonden al spoedig bekend als ‘de firma Ter Laan’.
In 1914 werd Ter Laan (Den Haag) door minister Cort van der Linden aangewezen als burgemeester van het rode bolwerk Zaandam. De conservatieve partijen wachtten ongeduldig op het fiasco dat zonder twijfel het gevolg moest zijn van een sociaal-democratisch bewind. Maar ook extreem-links had kritiek: een sociaal-democraat behoorde geen ‘kapitalistenbaan’ te accepteren. Met argusogen keken zowel links als rechts hoe Ter Laan het er tijdens de houtstakingen, die vrij snel na zijn aantreden uitbraken, zou afbrengen. Hoewel hij bij zijn aantreden beloofd had boven de partijen te zullen staan, spande het er om of hij zich al dan niet partijdig - in het voordeel van de arbeiders - zou opstellen. In de pers brak tumult uit toen hij een aantal Duitse onderkruipers ‘zurück in der Heimat’ stuurde, omdat ze geen Heimatschein bij zich hadden. Dit was ongekend. Ter Laan werd op het matje geroepen. Bovendien had het Zaanse gemeentebestuur op de verjaardag van prinses Juliana geweigerd te vlaggen. Ook dit was rede voor kamervragen van conservatieve zijde. Maar bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in augustus 1914 verbleekten al deze gebeurtenissen.
In 1916, toen er in de Zaanstreek grote overstromingen waren, kon Ter Laan niet om het koningshuis heen: Koningin Wilhelmina bezocht met prinses Juliana het overstroomde gebied en Ter Laan reikte de Koningin de hand toen zij over een plank moest lopen. Ter Laan ontving een watersnoodmedaille en Koningin Wilhelmina moet wel over hem te spreken zijn geweest, want in haar boek ‘Eenzaam maar niet Alleen’ wordt Ter Laan als enige burgemeester genoemd.
(Pas in 1937 erkende De S.D.A.P. de monarchie).

In 1925 diende Ter Laan namens zijn fractie een iniatiefvoorstel tot ontwapening in en was hij de belangrijkste initiatiefnemer tot het demonstratief Congres van S.D.A.P. en N.V.V. over ontwapening. In het Vredespaleis hield Ter Laan een rede onder deze titel. Circa 80.000 mensen kwamen tijdens de demonstratie in Den Haag op de been.
Op 18 september 1926, bij Ter Laan’s 25-jarig jubileum als lid van de Tweede Kamer werd hij, na de toespraken van Willem Drees en Henri Polak, door Ir. J. W. Albarda, partijleider der
S. D. A.P., onder andere om zijn geheugen geroemd:
‘Ter Laan heeft een geheugen, zooals maar zelden wordt aangetroffen. Vraag hem iets over een begrooting van 17 of 20 jaar geleden, en hij zal u precies vertellen, wat er geschiedde bij dit of dat artikel.’
Over Ter Laan’s werkkracht zei Alberda: ‘Het is nog niet zoo lang geleden, dat de oorlogsbegrooting in de Tweede Kamer ’s nachts moest worden behandeld. Des avonds om 12 uur was Ter Laan nog voor 40 artikelen ingeschreven als spreker. ’s Morgens half 5 vroeg hij stemming en de vergadering moest uiteen, omdat het quorum niet aanwezig was. De Kamerleden gingen eenige rust zoeken in bed, maar Ter Laan ging op den trein naar Zaandam om daar als burgemeester ’s morgens spreekuur te houden en denzelfden middag 12 uur was Ter Laan alweer frisch in de Kamer aanwezig!’ Spr. hoopte dat de partij zulk een man nog lang zal mogen behouden en bood den jubilaris het nieuwe Nederlandsch Biografisch Woordenboek aan.

Ter Laan diende in totaal 6 initiatiefvoorstellen in. Tevergeefs heeft hij zich tot het laatst toe in de Kamer ingespannen voor uitkeringen voor de slachtoffers van de mobilisatie Voor zijn werk in de Tweede Kamer zie: www.parlement.com.
Op persoonlijk vlak heeft Ter Laan’s leven drie zwarte bladzijden gekend: op zijn 16e jaar verloor hij een broertje dat slechts 4,5 maand oud werd, en van hun vier kinderen verloren hij en zijn vrouw circa 1900 een dochtertje, in 1928 overleed op 32-jarige leeftijd hun oudste zoon.

Op 8 februari 1937 nam Ter Laan afscheid van Zaandam en op 8 juni kwam er - zeer tegen zijn zin - een einde aan zijn Kamerlidmaatschap. Hij werd de dupe van het pensioen-besluit van zijn eigen fractie. In het begin van dat jaar was hij benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.
Een nieuwe periode brak aan, waarin Ter Laan zich in Wassenaar volop kon wijden aan zijn hobby, waarmee hij reeds rond 1895 gestart was: het verzamelen van ‘alles wat er te weten viel over tal van onderwerpen’, een verzameling die hij zou gebruiken voor zijn latere naslagwerken en andere geschriften. Het merendeel van zijn werk betrof Groningen, zijn ‘vaderland in de verte’. In 1929 was reeds zijn standaardwerk De Nieuwe Groninger Encyclopedie verschenen. Zelfs tijdens de Tweede Wereldoorlog verschenen er een aantal publicaties van zijn hand en lukte het als voorzitter van de Algemene Vereniging Groningen om deze vereniging van Duitse inmenging te vrijwaren. Bewonderenswaardig is het dat hij in 1937 - aan de vooravond van WO II - het boek ‘Joodse Overleveringen’ uitbracht.
Na het overlijden van zijn vrouw in 1946 kwam een onvoorstelbare stroom van publicaties op gang (zie publicaties). Verzorgd door zijn juffrouw-van-gezelschap werkte hij tot vlak voor zijn dood op 6 maart 1963 van half elf ‘s morgens tot half elf ’s avonds. In totaal verschenen er meer dan 30 werken van zijn hand over folklore, geschiedenis, aardrijkskunde en vooral over zijn grote liefde: de Groninger taal en cultuur.
Tot zijn grote frustratie lukte het hem niet om zijn Multatuli-encyclopedie uitgegeven te krijgen. Ter Laan was zijn leven lang een groot bewonderaar van deze schrijver. Het kastje met de duizenden door hem verzamelde fiches werd na zijn overlijden door zijn zoon en dochter aan het Multatulimuseum geschonken. Daar verdween het...in de kelder. Uiteindelijk verscheen het werk in 1995 met financiële hulp van o.a. het Multatuli Genootschap en de Erven Ter Laan.

Het jaar 1951 was voor Ter Laan wat hij noemde ‘zijn jubeljaar’: rondom zijn 80e verjaardag werd hij van vele zijden gehuldigd voor alles wat hij op het gebied van taal, cultuur en folklore voor de provincie Groningen had gedaan. In dat jaar ontving hij uit handen van prins Bernhard een Zilveren Anjer voor deze verdiensten. Op de Fraeylemaborg in Slochteren, waar eens zijn voorouders van moederskant woonden, werd hij gehuldigd door de Aalgemaine Verain Grunnen die hem een monument schonk met een daarbij behorende bank; de gemeente Slochteren benoemde hem diezelfde dag tot ereburger.
Op zijn 90e verjaardag kreeg Ter Laan zijn door Jan Altink geschilderde portret aangeboden door het Provinciaal Bestuur van Groningen alsmede van tal van organisaties, bedrijven en particulieren.
Zijn laatste werk, dat hij ‘zijn glorie’ noemde, betrof de Geschiedenis van Slochteren (1962), dat hij - in ruil voor een kist sigaren - met hulp van zijn trouwe speurder H. J. Jansonius schreef in opdracht van de gemeente waarin hij in 1871 geboren werd.